Waarom we deze zomer gewoon blijven vliegen
En waar het wél knelt...
De brandstofprijzen, de inflatie en nu weer de kerosine. Je zou bijna denken dat we deze zomer nergens meer naartoe vliegen. Maar als ik de topman van Ryanair mag geloven, hoeven we ons over brandstoftekorten absoluut geen zorgen te maken. Wel trekt de hoge olieprijs een diep spoor door het Europese luchtruim.
De luchtvaartsector is de laatste tijd niet weg te slaan uit het nieuws. De spanningen in het Midden-Oosten en de sluiting van de Straat van Hormuz zorgen voor flink wat onrust op de energiemarkten. Toch is Michael O'Leary, de markante CEO van Ryanair, verrassend nuchter over de situatie tijdens een interview met Bloomberg. Na overleg met grote brandstofleveranciers is zijn conclusie helder: Europa gaat absoluut niet zonder kerosine komen te zitten.
De reden dat er geen tekorten worden verwacht, ligt in de slimme spreiding van de Europese brandstofimport. Onze kerosine komt tegenwoordig grotendeels uit West-Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en Noorwegen. Daarnaast heeft het opheffen van bepaalde sancties de aanvoer naar Oost-Europa juist versoepeld. Zelfs de tijdelijke logistieke uitdagingen bij specifieke Britse luchthavens worden momenteel snel opgelost door alternatieve routes aan te boren.
Hoewel de fysieke beschikbaarheid van brandstof dus gegarandeerd is, hangt er wel een stevig prijskaartje aan. De hoge kerosineprijs raakt de luchtvaartmaatschappijen in de portemonnee, en dat merk je direct als reiziger binnen Europa. Om de kosten te drukken, worden Europese vluchten momenteel geschrapt en samengevoegd. Luchtvaartmaatschappijen proberen hun toestellen zo vol mogelijk te krijgen om rendabel te blijven. Wie deze zomer binnen Europa reist, moet dus rekening houden met aangepaste schema's en minder flexibiliteit.
Interessant genoeg blijft deze stoelendans beperkt tot ons eigen continent. Voor transatlantische vluchten tussen Europa en de Verenigde Staten gebeurt dit namelijk niet. De vraag naar reizen over de oceaan is onverminderd groot. Amerikanen vliegen massaal naar Europa voor de cultuur en de zon, terwijl Europeanen de oversteek blijven maken. Omdat de ticketprijzen voor deze verre vluchten traditioneel een stuk hoger liggen, kunnen de grote netwerkmaatschappijen de duurdere kerosine daar veel gemakkelijker opvangen.